Hoe werken vaccins?

Hoe werken vaccins

Vaccins bestaan meestal uit onderdeeltjes van bacteriën of virussen, of soms uit geïnactiveerde virussen die de ziekte niet kunnen veroorzaken. Ze bevatten onderdelen waarop het lichaam kan reageren, bv. door antistoffen te maken, zonder zelf de ziekte door te maken. Vaccinatie is dus voor het lichaam een soort eerste kennismaking met een bacterie of een virus. Het lichaam leert hoe correct erop te reageren zodat die bacteriën of virussen de ziektes niet kunnen veroorzaken wanneer je er later mee in contact komt.

Soms is er een levenslange bescherming, soms neemt de hoeveelheid antistoffen met de jaren af en moet je je opnieuw laten vaccineren (herhalingsvaccin) om de hoeveelheid antistoffen voldoende hoog te houden.

Bijwerkingen en risico's

Vaccins kunnen bijwerkingen geven. Ernstige bijwerkingen zijn echter uiterst zeldzaam. Er is ook geen wetenschappelijk bewijs dat vaccinaties bepaalde ernstige of chronische ziektes zouden veroorzaken.

Mogelijke lichte bijwerkingen zijn:

  • matige koorts (minder dan 38,5 °C)
  • lichte pijn, roodheid of zwelling op de injectieplaats. Bij sommige vaccins kan dit uitgebreider zijn. Dit verdwijnt meestal spontaan na enkele dagen.  
  • verharding op de injectieplaats - soms knobbeltje

Bij een vaccinatie tegen mazelen, bof of rode hond:

  • koorts tussen de 5de en de 12de dag na de vaccinatie.
  • een lichte rode huiduitslag en/of tijdelijke gewrichtspijn.

Voor deze bijwerkingen is er geen behandeling nodig, de klachten verbeteren spontaan (een knobbeltje kan wel enkele weken voelbaar blijven).

Is de reactie erger of ben je ongerust, neem dan contact op met je arts.